Demonen

De mens piekert en peinst. Hij zet de dingen in beweging. Met zijn hersenen spint hij verhalen. Hij opent zijn ogen en kijkt naar het leven.

Soms opent hij zijn ogen zonder te zien. Dan valt niet het licht van de buitenwereld naar binnen, maar breekt de duisternis van zijn binnenwereld naar buiten. Wie hem op dat ogenblik in de ogen kijkt, ziet de daemon die in hem huist.

Wie ooit een daemon aanschouwd heeft, zal altijd door de gruwelijke aanblik achtervolgd worden, vooral ’s nachts, als je alleen bent. In die fractie van een seconde word je krankzinnig van besef. In het donker tast je naar het licht.

Mensen ontsteken in razernij als je hun daemon gezien hebt. Vanaf dat ogenblik haten zij je met alle haat die in hun lichaam opgehoopt ligt.

In ieder mens woont een daemon. Niet in je ziel, wat die ook wezen mag, en ook niet in het labyrint van je brein, maar tastbaar in je lijf. In je ribbenkast werken de longen, achter je borstbeen pompt het hart en onder je vel woont jouw daemon: in de knik van je knie en in de beulingen in je buik heeft hij zijn plek. Hij leeft altijd in een mens, nooit in een dier.

Het moge duidelijk zijn wat een daemon in een mens kan aanrichten.

Daemonen zijn oeroud. Ze stammen uit de begintijd van alle leven. Ooit leefden zij als autonome wezens. Toen de eerste mens kwam, leefden zij in de mens.

De daemon kan oneindig veel groter zijn dan onze wereld en toch in jouw lichaam wonen. Hij gehoorzaamt aan oudere natuurwetten dan de onze. Hij kent goed noch kwaad, zoals alle eeuwige creaturen. Hij leeft zonder bedenkingen.

Zand

Ik volg het spoor. Het grind blinkt in het zonlicht. De rail is geschilferd, poederig van roest. Bielzen liggen verweerd en gespleten in de hitte. Ik loop de lange eentonige weg die doodloopt in een stad.

En wat voor een stad! Ik weet niet wat ik zie. De lange reis is de moeite waard, omdat overal zand waait, fijn van korrel en wit. Dode bladeren ritselen in de goten langs de stoepranden, hopen zich op tussen de roestige platen die boven het zand uitsteken. Eens was dit de toegangsweg. In het centrum, helemaal ingesloten door de stad die bezig is het onderspit te delven, zie ik een ingevallen pand van oud ijzer boven het zand uitsteken. En verderop een hele straat met verzakte huizen van doorgerot golfplaat. Villa’s aan een blikken boulevard vergaan in alle rust. Rafelig ijzer, waar ik maar kijk in deze stad van metaal.

Midden op het plein verrijst een machtige kathedraal, een magistraal vlechtwerk van roestige pijpen, buizen en T-balken die in elkaar grijpen, verzinkte koepels, nikkelen spitsen. Spandraad fluit ijl in de wind die naar binnen slaat in de holle pijpen. Het immense orgel kreunt een klaagzang voor mij alleen. De muziek leunt tegen het dun geworden bladerstaal, krast spijkerharde woorden in een scheurend blad papier.

Lood.

Kist.

Zo mooi, deze stad. Zo mooi, deze doorgeroeste vogelkooi. Ik buk mij en schep een handvol zand in mijn linker broekzak.

Ik houd de jampot tegen het licht. Achter het omgewassen glas glanst het zand als kleurloos zilver. Wat is mijn kans deze materie ooit te doorgronden?

Het volume neemt snel toe. Het zand is voortdurend in beweging. Begonnen als een bodempje, vult het nu de pot. Het splitst zich, groeit. Vandaag of morgen barst het glas, want het gaat maar door. En wat moet ik dan, als het eenmaal op de vloer ligt? Wat dan?

Wie is hij? (En wat is hij van mij?)

Gisteren ineens, toen was hij daar,
Een naakte man, twee voeten achter mij.
Hij volgt mij, imiteert mijn elk gebaar
En waar ik ga, daar gaat ook hij.

Ik ben zijn machteloze gijzelaar,
Ontlast ik mij, hij is er bij.
Wij blijken één onscheidbaar paar,
Voor altijd samen, nooit meer vrij.

Soms beweegt hij watervlug,
Een klein kwikzilverig mannekijn,
Dan weer is hij traag en log en groot.

Maar steeds die ogen in mijn rug,
Dat blote lijf op mijn terrein –
Als hij niet weggaat, sla ‘k ‘m dood.