Aan de Linge

De pannenkoekenboerderij Aan de Linge richarddelaporteblog

Tweede kerstdag met Kensi gewandeld bij Hemmen. In de Pannenkoekenboerderij relaxed gezeten met een latte macchiato en strudel met warme vanillesaus – het is immers december. De zaal was zo goed als leeg. Al het personeel was achter, in de keuken, om het kerstbuffet voor te bereiden. De tafels wachtten nog op de aankleding en de versiering.

Wat gebeuren gaat

Ik zit op mijn knieën voor het raam, met mijn armen op de vensterbank. Mijn kin rust op mijn samengevouwen handen, mijn voorhoofd tegen het koude glas. Ik kijk naar de vrouw aan de overkant van de straat. Haar gezicht is van zwarte scherven aaneengelijmd.  Ze zit op een smeedijzeren stoel. Met haar voet drijft ze het stenen wiel waarop zij het dunne gebogen mes slijpt. Een vonkenregen spat af van het steen en valt dood op de keien. Af en toe staat ze op van haar stoel. Dan zwaait zij het mes, steekt het in het luchtledige, als om te oefenen.

Zij zal iemand doodsteken. Het mes zal slagaders splijten, links en rechts in de hals. Vannacht zal het gebeuren, of anders morgen, of de dag daarna. Zij snijdt de beulingen uit je buik. Zij is de vrouw die je ziel uit je lichaam snijdt.

De schemering valt. Ik zit nog steeds op mijn knieën voor het venster en ik kijk. Wat komen gaat vervult mij met angst en walging. Toch zal ik eens naar buiten moeten gaan, door honger of dorst gedreven, de straat op. Dan moet ik haar tegemoet treden.

 

Ziel

Ik steek de riemen door de gespen en trek ze stevig aan, zodat het tuigwerk hoog op mijn rug zit en de banden strak over mijn borst lopen. Ik moet er straks honderdtwintig kilo in dragen en de tocht naar boven is meer dan twee kilometer lang. Drie mannen helpen mij het beeld in de draagriemen op mijn rug te zetten. Ze lopen met mij mee, achter de gids aan, om mij te helpen het loodzware gietwerk te plaatsen. Maar ik alleen moet mijn last omhoog dragen. Niemand kan mij daarbij helpen.

Ik stop vaak, zeker gedurende de laatste vijfhonderd meter. Het steilste gedeelte van de klim ligt achter mij, maar de vermoeidheid speelt mij parten. Mijn metgezellen wachten geduldig op mij en geven mij te drinken uit een waterzak.

Boven staan duizenden avatars op sokkels tussen de rotsen. Ik houd halt bij de eerste open plek die ik zie. Met zijn vieren zetten we de bronzen man op zijn plaats. De gelijkenis is verbluffend. Als ik straks afdaal, blijft mijn evenbeeld hier achter.

Ik loop tussen de sculpturen door. In brons gegoten mensen, levensecht. Een van de beelden huilt. Het is nog niet gewend. Mijn gids legt uit dat het soms lang duurt voordat een ziel op deze koude plek zichzelf kan zijn. Veel beelden dragen kleding of hebben een deken omgeslagen gekregen. Sommige kleding is vaal en grauw, tot op de draad versleten, maar velen zijn omhangen met kleurige kleden, die klapperen in de wind.

Zal mijn ziel kunnen wennen? Ik heb niets mee naar boven genomen om hem tegen deze barre koude te beschermen.

 

 

Wind. Golven.

Ik ben in een huis zonder dak, in een kamer zonder muren. Ik word verzwolgen door een zee van schuim, opgetild en neergesmeten, omhoog gezogen en in de diepte geworpen, de peilloze diepte met de duizend drenkelingen.

Het schuim brandt naar binnen, je schedel in. Het vreet je hersenen weg. Daarom moet je een gebreid mutsje op en dat gebreide mutsje moet je goed vasthouden, met twee handen, want anders raak je het kwijt in de woeste golven. En dan ga je kapot, door dat schuim in je kop.

De wolken en de golven wervelen ineen. Alles raast en kolkt en dreunt. Soms hoor ik gehuil dat door merg en been snijdt. Dan weet ik: daar is er een zijn mutsje verloren.

Een golf neemt mij op en werpt mij buiten het huis. Er valt van alles uit de lucht, grote zware voorwerpen. Bijna krijg ik een wasmachine op mijn hoofd, ik kan hem ternauwernood ontwijken. Het is hier buiten niet minder gevaarlijk dan daarbinnen.