Zielsverhuizing

Ruikt het hier naar ijzer of naar bloed? Het masker wordt losgemaakt en van mijn hoofd weggenomen. Het is nacht. Natuurlijk. Dit soort handelingen worden in het duister verricht. Ik moet van lichaam ruilen. Wij allemaal moeten van lichaam ruilen. Wij liggen onder grote lampen op metalen tafels. Ze gaan onze huid opensnijden zoals je het strakke plastic om een sixpack opent: je steekt de punt van het mes erin zodat het plastic knalt en met één scherpe haal snijd je vervolgens het omhulsel open. Zo hebben ze het ons uitgelegd.
Ik wil niet.
Ik moet.
We moeten allemaal
“Sommige mensen kunnen niet wennen aan hun nieuwe lichaam”, zegt de arbeider die mij gaat verwerken. “Die blijven zich onrustig voelen, opgejaagd, ongelukkig”.  De scalpel in zijn hand blinkt in het lamplicht.
“Kan je dan nog terug? Mag dat?”.
Hij schudt zijn hoofd. Nee dus. Dat mag niet. “Je kunt alleen opnieuw met iemand anders ruilen”.
Ik hoop maar dat ik aan mijn nieuwe lichaam kan wennen.

 

De oude man en de zee

Het schip breekt. De boeg zinkt weg in de golven. De achtersteven klimt tegen de watermuur op. Ik spoed mij omhoog, naar achteren, weg van het water, maar redding is niet mogelijk. Ik bevind mij midscheeps op het dek als ik over de reling stap en spring. Het water kolkt en bruist in mijn oren. Het licht verdwijnt. Ik zwem weg van het zinken, weg van de zuiging, weg van mijn dood in de steile diepte. Als ik weer boven water kom, open ik mijn mond en schreeuw. Lucht en water stromen mijn longen binnen.

Ik drijf in zee. Een huizenhoge deining tilt mij op en trekt mij naar beneden, in een machtige beweging. Ik ben een krachteloze zwemmer. Zo sterk is de stroming dat ik onmogelijk de rechte lijn naar het land kan volgen. Ik moet mij door het water laten meevoeren langs de zanderige kustlijn en hopen op een landingsmogelijkheid tussen de rotsen die zich in de verte uit de schuimende branding verheffen.

Mijn jas raakt verzadigd en trekt zwaar aan mij. Ik worstel mij eruit. Zonder mij zinkt de jas het duister in. Ik zwem voor mijn leven, klauwend, spartelend, vechtend. Mijn krachten zinken in het niet in de overweldigende oerkracht van de watermassa. Ik zal zeker verdrinken. Grote vissen, groter dan ik zelf ben, zwemmen om mij heen, naderen mij, raken mij aan. In paniek duw ik ze weg. Ze voelen koud en hard aan. Zij zijn wezens uit een andere wereld.

 

De golven hebben mij op een kiezelstrand tussen de rotsen geworpen. De zee heeft mijn kleren aan flarden gescheurd, mijn lijf tot bloedens toe geschuurd, mijn ogen verbrand. De oude man heeft mij gevonden en meegenomen. Nu lig ik bij het vuur, mijn gebroken lichaam ineengerold.

“Je had je jas niet uit moeten doen”, zegt de oude man. “Je had hem moeten opblazen. Dan had je een boei gehad met voldoende drijfvermogen om je te redden.” Op zijn gemak rookt hij  zijn meerschuimen pijp. “En die vissen had je niet moeten wegduwen.  Als je ze bij hun rugvin had gepakt, hadden ze je meegevoerd naar het land.” De oude man kent de zee als geen ander. Maar weet ik veel, drenkeling, armzalige landrot die verzuipt.

 

In de Proeftuin

Na onze zaterdagochtendwandeling op de Posbank lekker relaxen met appeltaart en een latte macchiato in het restaurant van de Intratuin in Duiven.

Twee versies van de schets, die zicht biedt vanaf de verdieping op de zoetwarencounter: de gefotografeerd pentekening en de scan van de later ingekleurde versie.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.