Taalspel: 22 variaties op Martinus Nijhoff

00 basistekst
Ik ging naar Bommel om de brug te zien       (Martinus Nijhoff – De moeder de vrouw)

01 alfabetische deconstructie
aa bb d eeee ggg iii k l mmm nnn oo rr t u z

02 minimale variatie
Ik ging naar Bemmel om de brug te zien

03 alternatief
Ik ging naar Lommel om de lucht te zien

04 negatie(1)
Ik ging niet naar Bommel om de brug te zien

05 negatie (2)
Ik ging naar Bommel, maar niet om de brug te zien

06 dissociatie
Ik ging niet naar Bommel, om die verdomde brug niet te hoeven zien

07 consequentie
Ik ging naar Bommel en zag de brug

08 deceptie
Ik ging naar Bommel, maar geen brug te zien

09 permutatie
Ik ging naar Bommel om meer dan de brug te zien

10 perspectivisch
Ik ging de brug op om Bommel te zien

11 confusie
Ik brug naar Gingel om de bom te zien

12 e-tautogram
Deze kerel reed ter gemeente B. strevend het verkeersgewelf te verkennen

13 e-lipogram
Ik ging naar Zoutwaard waarbij brugschouwing mijn buut was

14 duosyllabische distributie
Ikzelf reisde richting Bommel daarbij uitzicht over pijlers alsook tuien alsook brugdek tussen beide oevers zoekend

15 semantisch
De persoon die aan het woord is verplaatste zich vrijwillig naar de plaats die topografisch aangeduid wordt met de naam Zaltbommel met als doel aldaar de plaatselijke verbinding tussen beide oevers van de Waal te aanschouwen

16 kruisbestuiving                                      (Gerard Reve – Wiegelied)
a) ik ging nuchter naar bed, en kon de brug niet zien
b) ik ging naar Bommel om te slapen

17 ablatie
Ik ging naar Bommel

18 tricolon
Te voet, beoogd, begeesterd liep ik naar Bommel, zag de brug – en peilde mijn ziel

19 hexameter (1)
Gisteren ging ik naar Bommel om daar eens de brug te bezien

20 hexameter (2)
Ik ben naar Bommel vertrokken teneinde de brug daar te zien

21 paradox
Ik bleef thuis om in Bommel de brug te zien

22 ironie
Gaat Nijhoff nu naar Bommel, ziet ‘ie daar de Nijhoffbrug

 

Sonnet

 

VAN GODSWEGE

Daar ligt hij dan, kapotgeslagen,
Ik breng hem meer van wat ik bracht,
Honderd pijnen, duizend plagen,
Ik laat hem buigen voor mijn macht.

Zonder klagen blijft hij dragen
Zijn bitter lot. Hij bidt om kracht.
Behagen zal hij, noch mishagen;
Niets is hij. Niets ook is zijn nageslacht.

Schor fluistert hij zijn vrome wens,
Zijn mond vol molm, geknield in ’t stof,
Dat hij leven mag om mij te eren,
Mij, zijn grote God, zijn enig Here;
Hij prijst mijn naam en zingt mijn lof.

Ik houd zo innig van de mens.