Woede

Ineens zijn ze er, over de volle breedte van de straat. Te voet, maar ook te paard en in koetsen. Ze zijn allemaal in het zwart. Ook de wielrenners. Razend zijn ze, omdat ze verloren hebben. Iedereen vlucht. Wie niet snel genoeg weg is, wordt gepakt. Ze slaan en ze schoppen. Ze hebben stokken en stenen.

In een portiek schuilen drie mannen. Een zwarte vrouw spuit haarlak in hun gezicht. De mannen krimpen ineen, bedekken hun ogen. Ik snap het niet. Zij zijn met z’n drieën en dat zwarte wijf is maar alleen. Dan komt er een zwarte man bij, met een ijzeren staaf, en nog een, met een mes, om het karwei af te maken.

Overal liggen scherven op straat.

Vluchtpoging

Ik ben al een paar keer weggelopen, maar steeds brengt zij me hier terug.

Ik sta voor een loods, op een gebarsten betonnen grondplaat. Verspreid over het terrein staan hallen en loodsen en halfronde hangars van golfijzer. Het gebied is afgezet met hekken, lossen elementen in staanders van beton. Het is geen doorlopende afsluiting. Op veel plekken zijn de hekken omgevallen en hier en daar ontbreekt er een deel. Achter de omheining loopt het gebied steil omhoog in zandduinen, begroeid met grassen, heide, stugge heesters en naaldbomen.

Ik kan door de half openstaande schuifdeuren in de loods kijken. Af en toe zie ik daar de vrouw met het halflange blonde haar in de weer met kuipen en teilen en emmers. Ze kijkt steeds even mijn kant uit en lacht dan vriendelijk naar me. Zo controleert ze of ik er nog wel sta.

Als ze uit het zicht verdwijnt, loop ik naar de zijkant van de loods. Ik zie kranen en gekoppelde waterslangen, roosters, afwatergeulen, zinken teilen, zwarte plastic emmers. Hier gaat ze mij onthoofden. Op deze plek kan ze het bloed gemakkelijk wegspoelen.

Ik hoor de vrouw rommelen in de loods. De zijdeur staat open. Ik loop weg, naar de afrastering, die hier voorover op de grond ligt. Geen geluid nu. Deze keer moet ik me niet laten pakken en terugvoeren.

Als ik ver genoeg ben, ga ik sneller lopen, tegen de duinen op, maar het zand glijdt weg onder mijn voeten en ik kom nauwelijks omhoog. Mijn nieuwe schoenen zijn te krap. Het zijn prachtige Italiaanse schoenen, maar ze knellen zo erg dat ik er nauwelijks op kan lopen. Ik trek ze van mijn kapotte voeten. Ik gooi ze niet weg, om geen sporen achter te laten. Zo ren ik door de stekelige begroeiing, sneller dan mijn adem, met in elke hand een schoen.

Honden blaffen.

Jack Davis

Jack Davis publiceerde als 12-jarige in december 1936 zijn eerste comic in de Tip Top Comics #9. Hij heeft vervolgens getekend tot aan zijn dood in 2016 – hij is ruim 91 jaar oud gworden.

In Nederland is hij vooral bekend door zijn werk voor satirische bladen als Trump, Humbug en Mad. In Amerika kennen de meesten hem van de omslagen die hij maakte voor de TV-guide en bladen als Time. “Jack Davis drew America’s pop culture”.

Ik heb een paar platen van hem getekend. Dat doe ik wel vaker, om een stijl te doorzien. Hieronder staan ze – naar Jack Davis, de meester.

Vondst

Ik ben op een grote zolder. Kisten. Stoelen. Een dinertafel van rozenhout. Een marmeren salontafel. Een oude paspop. Spinrag en stofdraden. Licht valt in gedempte banen door het vervuilde dakvenster.

Ergens achteraan, in een donkere hoek, vind ik een groot blik. Het is een soort sardineblik, maar veel groter, zo’n twee meter bij één meter veertig, schat ik, en zo’n 80 centimeter hoog. Ik schuif het roestige blik over de ruwe planken naar het midden, in het licht. Daar breek ik het open.

Het is hem. Elvis Presley. Hij is al behoorlijk vergaan. Ook zijn pak is verteerd; de opgenaaide glazen kralen zijn van het gebroken garen gegleden en liggen dof naast zijn lijk in de olie. Maar toch: hij is het. The King.