Jenny Greenteeth

Ooit had ik het boek Fearies van Brian Froud en Alan Lee. Met name de tekeningen van de laatste vond ik allemaal geweldig. In dit boek stond zijn tekening van Jenny Greenteeth, die ik hier nagemaakt heb. Het werk van de meester helpt de leerling verder…

Alan Lee is vooral bekend geworden door zijn illustraties bij oude volksverhalen en het werk van Tolkien. Hij maakte ook de concept art voor Peter Jackson’s verfilming van The lord of the rings en the Hobbit.

Jenny Greenteeth is een figuur uit de Engelse folklore, onder deze naam vooral bekend in Lancashire. Zij is een wezen met lang haar, scherpe tanden en een groene huid. In poelen en rivieren ligt zij op de loer en trekt onverhoeds kinderen het water in en verdrinkt ze.

Een stille jaarwisseling

Linda heeft voor Kensi, Nala, Tommie en Garfield een bunker gebouwd waarin ze weg kunnen schuilen voor het vuurwerkgeweld dat hier elk jaar losbarst. Zo’n 1.50 x 1.50 x 1.50 meter plus een laag verlengstuk onder onze salontafel voor de allerbangste katten, alles afgedekt met doeken, dekens, kussens, dekbedden, vachten, bontjes… elk materiaal dat enigszins geluiddempend werkt, is gebruikt. Dit geweldige bouwwerk stond dus vlak voor mijn neus als ik op de bank zat. Geen ontkomen aan.

Aan de Linge

De pannenkoekenboerderij Aan de Linge richarddelaporteblog

Tweede kerstdag met Kensi gewandeld bij Hemmen. In de Pannenkoekenboerderij relaxed gezeten met een latte macchiato en strudel met warme vanillesaus – het is immers december. De zaal was zo goed als leeg. Al het personeel was achter, in de keuken, om het kerstbuffet voor te bereiden. De tafels wachtten nog op de aankleding en de versiering.

Wat gebeuren gaat

Ik zit op mijn knieën voor het raam, met mijn armen op de vensterbank. Mijn kin rust op mijn samengevouwen handen, mijn voorhoofd tegen het koude glas. Ik kijk naar de vrouw aan de overkant van de straat. Haar gezicht is van zwarte scherven aaneengelijmd.  Ze zit op een smeedijzeren stoel. Met haar voet drijft ze het stenen wiel waarop zij het dunne gebogen mes slijpt. Een vonkenregen spat af van het steen en valt dood op de keien. Af en toe staat ze op van haar stoel. Dan zwaait zij het mes, steekt het in het luchtledige, als om te oefenen.

Zij zal iemand doodsteken. Het mes zal slagaders splijten, links en rechts in de hals. Vannacht zal het gebeuren, of anders morgen, of de dag daarna. Zij snijdt de beulingen uit je buik. Zij is de vrouw die je ziel uit je lichaam snijdt.

De schemering valt. Ik zit nog steeds op mijn knieën voor het venster en ik kijk. Wat komen gaat vervult mij met angst en walging. Toch zal ik eens naar buiten moeten gaan, door honger of dorst gedreven, de straat op. Dan moet ik haar tegemoet treden.

 

Ziel

Ik steek de riemen door de gespen en trek ze stevig aan, zodat het tuigwerk hoog op mijn rug zit en de banden strak over mijn borst lopen. Ik moet er straks honderdtwintig kilo in dragen en de tocht naar boven is meer dan twee kilometer lang. Drie mannen helpen mij het beeld in de draagriemen op mijn rug te zetten. Ze lopen met mij mee, achter de gids aan, om mij te helpen het loodzware gietwerk te plaatsen. Maar ik alleen moet mijn last omhoog dragen. Niemand kan mij daarbij helpen.

Ik stop vaak, zeker gedurende de laatste vijfhonderd meter. Het steilste gedeelte van de klim ligt achter mij, maar de vermoeidheid speelt mij parten. Mijn metgezellen wachten geduldig op mij en geven mij te drinken uit een waterzak.

Boven staan duizenden avatars op sokkels tussen de rotsen. Ik houd halt bij de eerste open plek die ik zie. Met zijn vieren zetten we de bronzen man op zijn plaats. De gelijkenis is verbluffend. Als ik straks afdaal, blijft mijn evenbeeld hier achter.

Ik loop tussen de sculpturen door. In brons gegoten mensen, levensecht. Een van de beelden huilt. Het is nog niet gewend. Mijn gids legt uit dat het soms lang duurt voordat een ziel op deze koude plek zichzelf kan zijn. Veel beelden dragen kleding of hebben een deken omgeslagen gekregen. Sommige kleding is vaal en grauw, tot op de draad versleten, maar velen zijn omhangen met kleurige kleden, die klapperen in de wind.

Zal mijn ziel kunnen wennen? Ik heb niets mee naar boven genomen om hem tegen deze barre koude te beschermen.

 

 

Wind. Golven.

Ik ben in een huis zonder dak, in een kamer zonder muren. Ik word verzwolgen door een zee van schuim, opgetild en neergesmeten, omhoog gezogen en in de diepte geworpen, de peilloze diepte met de duizend drenkelingen.

Het schuim brandt naar binnen, je schedel in. Het vreet je hersenen weg. Daarom moet je een gebreid mutsje op en dat gebreide mutsje moet je goed vasthouden, met twee handen, want anders raak je het kwijt in de woeste golven. En dan ga je kapot, door dat schuim in je kop.

De wolken en de golven wervelen ineen. Alles raast en kolkt en dreunt. Soms hoor ik gehuil dat door merg en been snijdt. Dan weet ik: daar is er een zijn mutsje verloren.

Een golf neemt mij op en werpt mij buiten het huis. Er valt van alles uit de lucht, grote zware voorwerpen. Bijna krijg ik een wasmachine op mijn hoofd, ik kan hem ternauwernood ontwijken. Het is hier buiten niet minder gevaarlijk dan daarbinnen.

 

 

Zielsverhuizing

Ruikt het hier naar ijzer of naar bloed? Het masker wordt losgemaakt en van mijn hoofd weggenomen. Het is nacht. Natuurlijk. Dit soort handelingen worden in het duister verricht. Ik moet van lichaam ruilen. Wij allemaal moeten van lichaam ruilen. Wij liggen onder grote lampen op metalen tafels. Ze gaan onze huid opensnijden zoals je het strakke plastic om een sixpack opent: je steekt de punt van het mes erin zodat het plastic knalt en met één scherpe haal snijd je vervolgens het omhulsel open. Zo hebben ze het ons uitgelegd.
Ik wil niet.
Ik moet.
We moeten allemaal
“Sommige mensen kunnen niet wennen aan hun nieuwe lichaam”, zegt de arbeider die mij gaat verwerken. “Die blijven zich onrustig voelen, opgejaagd, ongelukkig”.  De scalpel in zijn hand blinkt in het lamplicht.
“Kan je dan nog terug? Mag dat?”.
Hij schudt zijn hoofd. Nee dus. Dat mag niet. “Je kunt alleen opnieuw met iemand anders ruilen”.
Ik hoop maar dat ik aan mijn nieuwe lichaam kan wennen.

 

De oude man en de zee

Het schip breekt. De boeg zinkt weg in de golven. De achtersteven klimt tegen de watermuur op. Ik spoed mij omhoog, naar achteren, weg van het water, maar redding is niet mogelijk. Ik bevind mij midscheeps op het dek als ik over de reling stap en spring. Het water kolkt en bruist in mijn oren. Het licht verdwijnt. Ik zwem weg van het zinken, weg van de zuiging, weg van mijn dood in de steile diepte. Als ik weer boven water kom, open ik mijn mond en schreeuw. Lucht en water stromen mijn longen binnen.

Ik drijf in zee. Een huizenhoge deining tilt mij op en trekt mij naar beneden, in een machtige beweging. Ik ben een krachteloze zwemmer. Zo sterk is de stroming dat ik onmogelijk de rechte lijn naar het land kan volgen. Ik moet mij door het water laten meevoeren langs de zanderige kustlijn en hopen op een landingsmogelijkheid tussen de rotsen die zich in de verte uit de schuimende branding verheffen.

Mijn jas raakt verzadigd en trekt zwaar aan mij. Ik worstel mij eruit. Zonder mij zinkt de jas het duister in. Ik zwem voor mijn leven, klauwend, spartelend, vechtend. Mijn krachten zinken in het niet in de overweldigende oerkracht van de watermassa. Ik zal zeker verdrinken. Grote vissen, groter dan ik zelf ben, zwemmen om mij heen, naderen mij, raken mij aan. In paniek duw ik ze weg. Ze voelen koud en hard aan. Zij zijn wezens uit een andere wereld.

 

De golven hebben mij op een kiezelstrand tussen de rotsen geworpen. De zee heeft mijn kleren aan flarden gescheurd, mijn lijf tot bloedens toe geschuurd, mijn ogen verbrand. De oude man heeft mij gevonden en meegenomen. Nu lig ik bij het vuur, mijn gebroken lichaam ineengerold.

“Je had je jas niet uit moeten doen”, zegt de oude man. “Je had hem moeten opblazen. Dan had je een boei gehad met voldoende drijfvermogen om je te redden.” Op zijn gemak rookt hij  zijn meerschuimen pijp. “En die vissen had je niet moeten wegduwen.  Als je ze bij hun rugvin had gepakt, hadden ze je meegevoerd naar het land.” De oude man kent de zee als geen ander. Maar weet ik veel, drenkeling, armzalige landrot die verzuipt.