Vondst

Ik ben op een grote zolder. Kisten. Stoelen. Een dinertafel van rozenhout. Een marmeren salontafel. Een oude paspop. Spinrag en stofdraden. Licht valt in gedempte banen door het vervuilde dakvenster.

Ergens achteraan, in een donkere hoek, vind ik een groot blik. Het is een soort sardineblik, maar veel groter, zo’n twee meter bij één meter veertig, schat ik, en zo’n 80 centimeter hoog. Ik schuif het roestige blik over de ruwe planken naar het midden, in het licht. Daar breek ik het open.

Het is hem. Elvis Presley. Hij is al behoorlijk vergaan. Ook zijn pak is verteerd; de opgenaaide glazen kralen zijn van het gebroken garen gegleden en liggen dof naast zijn lijk in de olie. Maar toch: hij is het. The King.

Scheep gegaan

Ik ben de enige passagier aan boord. Ik loop door een gang, benedendeks, diep in de onderzeese buik van het schip. Langs de wand kruipt een vreemd beest. Het is twee keer zo groot als mijn hand en ziet er uit als een insect, met een roodbruin schild en zes poten. De snuit is puntig. Door zijn manier van lopen heeft het ook iets van een krab.

Er begint water te stromen in de gang. Het komt omhoog, over de trappen en de drempels. Voor het water uit vluchten meer van die vreemde, krabachtige insecten. Als ze met het water in aanraking komen, veranderen ze van kleur en substantie. Ze worden geelwit en papperig. Drijvend in het water vallen ze in schuimvlokken uiteen.

Door de gang komt een matroos mij tegemoet, in donkerblauwe broek en wit-blauw gestreepte kiel. Op zijn benig achterhoofd draagt hij een wit mutsje met rode pompon. Door zijn oorschelpen zijn rijen gouden ringetjes gestoken. Hij is zeer lang, wel tweeënhalve meter, graatmager en scheef. “Spring maar achterop”, zegt hij. Op zijn rug draagt hij me de gangen door, omhoog, weg van het wassende water. Voor een stalen deur blijft hij staan. De ijzeren balken die het plafond ondersteunen zijn kleverig van het aangeslagen vuil. Hij bukt zich om de deuropening door te gaan. Om mijn hoofd niet te stoten buig ik mij ver achterover. We gaan een kleedruimte binnen. Op een houten bankje ligt slordig een uniform met een kapiteinspet erop. Onder het bankje staat een laars. Achter een zijmuur van glazen bouwstenen ligt de badkamer. Een oude man met wit haar zit in het vierkante bad. Met een laars schept hij water op en laat het spetterend terugstromen. Op de golven die hij maakt dobbert een gele badeend met oranje snavel. De matroos buigt zich voorover, grijpt de man bij de keel en duwt hem onder water. De oude spartelt, maar hij is niet sterk genoeg om zich te verzetten tegen de matroos, die hem onder water houdt en de lucht uit zijn longen perst.

Ik ga achter het muurtje van de kleedruimte staan, met mijn rug naar het bad, om het allemaal niet te hoeven zien. Ik hoop maar dat de matroos een beetje voortmaakt met zijn muiterij. Ik wil gered worden.

Demonen

De mens piekert en peinst. Hij zet de dingen in beweging. Met zijn hersenen spint hij verhalen. Hij opent zijn ogen en kijkt naar het leven.

Soms opent hij zijn ogen zonder te zien. Dan valt niet het licht van de buitenwereld naar binnen, maar breekt de duisternis van zijn binnenwereld naar buiten. Wie hem op dat ogenblik in de ogen kijkt, ziet de daemon die in hem huist.

Wie ooit een daemon aanschouwd heeft, zal altijd door de gruwelijke aanblik achtervolgd worden, vooral ’s nachts, als je alleen bent. In die fractie van een seconde word je krankzinnig van besef. In het donker tast je naar het licht.

Mensen ontsteken in razernij als je hun daemon gezien hebt. Vanaf dat ogenblik haten zij je met alle haat die in hun lichaam opgehoopt ligt.

In ieder mens woont een daemon. Niet in je ziel, wat die ook wezen mag, en ook niet in het labyrint van je brein, maar tastbaar in je lijf. In je ribbenkast werken de longen, achter je borstbeen pompt het hart en onder je vel woont jouw daemon: in de knik van je knie en in de beulingen in je buik heeft hij zijn plek. Hij leeft altijd in een mens, nooit in een dier.

Het moge duidelijk zijn wat een daemon in een mens kan aanrichten.

Daemonen zijn oeroud. Ze stammen uit de begintijd van alle leven. Ooit leefden zij als autonome wezens. Toen de eerste mens kwam, leefden zij in de mens.

De daemon kan oneindig veel groter zijn dan onze wereld en toch in jouw lichaam wonen. Hij gehoorzaamt aan oudere natuurwetten dan de onze. Hij kent goed noch kwaad, zoals alle eeuwige creaturen. Hij leeft zonder bedenkingen.

Zand

Ik volg het spoor. Het grind blinkt in het zonlicht. De rail is geschilferd, poederig van roest. Bielzen liggen verweerd en gespleten in de hitte. Ik loop de lange eentonige weg die doodloopt in een stad.

En wat voor een stad! Ik weet niet wat ik zie. De lange reis is de moeite waard, omdat overal zand waait, fijn van korrel en wit. Dode bladeren ritselen in de goten langs de stoepranden, hopen zich op tussen de roestige platen die boven het zand uitsteken. Eens was dit de toegangsweg. In het centrum, helemaal ingesloten door de stad die bezig is het onderspit te delven, zie ik een ingevallen pand van oud ijzer boven het zand uitsteken. En verderop een hele straat met verzakte huizen van doorgerot golfplaat. Villa’s aan een blikken boulevard vergaan in alle rust. Rafelig ijzer, waar ik maar kijk in deze stad van metaal.

Midden op het plein verrijst een machtige kathedraal, een magistraal vlechtwerk van roestige pijpen, buizen en T-balken die in elkaar grijpen, verzinkte koepels, nikkelen spitsen. Spandraad fluit ijl in de wind die naar binnen slaat in de holle pijpen. Het immense orgel kreunt een klaagzang voor mij alleen. De muziek leunt tegen het dun geworden bladerstaal, krast spijkerharde woorden in een scheurend blad papier.

Lood.

Kist.

Zo mooi, deze stad. Zo mooi, deze doorgeroeste vogelkooi. Ik buk mij en schep een handvol zand in mijn linker broekzak.

Ik houd de jampot tegen het licht. Achter het omgewassen glas glanst het zand als kleurloos zilver. Wat is mijn kans deze materie ooit te doorgronden?

Het volume neemt snel toe. Het zand is voortdurend in beweging. Begonnen als een bodempje, vult het nu de pot. Het splitst zich, groeit. Vandaag of morgen barst het glas, want het gaat maar door. En wat moet ik dan, als het eenmaal op de vloer ligt? Wat dan?

Wie is hij? (En wat is hij van mij?)

Gisteren ineens, toen was hij daar,
Een naakte man, twee voeten achter mij.
Hij volgt mij, imiteert mijn elk gebaar
En waar ik ga, daar gaat ook hij.

Ik ben zijn machteloze gijzelaar,
Ontlast ik mij, hij is er bij.
Wij blijken één onscheidbaar paar,
Voor altijd samen, nooit meer vrij.

Soms beweegt hij watervlug,
Een klein kwikzilverig mannekijn,
Dan weer is hij traag en log en groot.

Maar steeds die ogen in mijn rug,
Dat blote lijf op mijn terrein –
Als hij niet weggaat, sla ‘k ‘m dood.

Schetsen

Een stapel schetsen om mijn techniek te oefenen. Getekend met mijn oude vertrouwde Parker sonnet – de groene, zo’n dikke dertig jaar oud inmiddels en door mij gereviseerd met onderdelen van een andere Parker sonnet. Ook uit de jaren negentig van de vorige eeuw is de blauwe die ik kort geleden op marktplaats gekocht heb als tweede pen – en deze tekent net zo fijn als mijn eerste.

Toerist

Ik loop over het zonovergoten pad tussen kleiige akkers en sappige weiden. Deze holle weg zal mij leiden naar een zacht bed en een warm dampend bad.

De omgeving hier komt mij niet bekend voor. Dat is vreemd, want ik ben hier dikwijls geweest. Ik raadpleeg mijn wandelkaarten. Ik vrees dat ik het spoor volledig bijster ben. Dat is me nog nooit gebeurd. Maar als ik de kaarten bestudeer, zie ik dat ze niet kloppen met het landschap dat ik rondom mij zie. Dit is een heel ander gebied. Dit is niet de holle weg die ik ken. Ik verscheur de landkaarten. De snippers waaien weg op de wind die plotseling opsteekt. Ik weet hier heg noch steg.

Het landschap is veranderd. Over een stenig bergpad, steil en smal, daal ik af naar het dorp in het dal. Ik vraag om water. Ze geven mij een worst, droog en zout. Ze spreken hier geen taal die mij bekend is. Ze begrijpen mij niet als ik zeg dat ik dorst heb. Ik vraag om drinken. Ik krijg patates frites, een kachelpook, een strooien hoed, een linnenkast, een blikken opwindbeest, een paar keukenmessen. Maandenlang gaat dat zo door. Steeds weer houden ze mij van alles voor, maar nooit iets om mijn dorst te lessen.

Mijn rug is gescheurd. Mijn knie verdroogd. Mijn linkerhand tot stof vergaan. Even later vraag ik, hees geworden, alweer om water. Dit keer geven ze mij een klare diamant.