Toerist

Ik loop over het zonovergoten pad tussen kleiige akkers en sappige weiden. Deze holle weg zal mij leiden naar een zacht bed en een warm dampend bad.

De omgeving hier komt mij niet bekend voor. Dat is vreemd, want ik ben hier dikwijls geweest. Ik raadpleeg mijn wandelkaarten. Ik vrees dat ik het spoor volledig bijster ben. Dat is me nog nooit gebeurd. Maar als ik de kaarten bestudeer, zie ik dat ze niet kloppen met het landschap dat ik rondom mij zie. Dit is een heel ander gebied. Dit is niet de holle weg die ik ken. Ik verscheur de landkaarten. De snippers waaien weg op de wind die plotseling opsteekt. Ik weet hier heg noch steg.

Het landschap is veranderd. Over een stenig bergpad, steil en smal, daal ik af naar het dorp in het dal. Ik vraag om water. Ze geven mij een worst, droog en zout. Ze spreken hier geen taal die mij bekend is. Ze begrijpen mij niet als ik zeg dat ik dorst heb. Ik vraag om drinken. Ik krijg patates frites, een kachelpook, een strooien hoed, een linnenkast, een blikken opwindbeest, een paar keukenmessen. Maandenlang gaat dat zo door. Steeds weer houden ze mij van alles voor, maar nooit iets om mijn dorst te lessen.

Mijn rug is gescheurd. Mijn knie verdroogd. Mijn linkerhand tot stof vergaan. Even later vraag ik, hees geworden, alweer om water. Dit keer geven ze mij een klare diamant.

Het diner

Ik draag een bronskleurig pak van zijde en kasjmier. Linda is gekleed in een prachtige zijden jurk, subtiel versierd met borduursel en kristallen. Zij ziet er oogverblindend mooi uit. Wij eten vanavond in De Zijderoute, een chique restaurant. De chef laat zich inspireren door de keuken van de landen die Marco Polo bereisd heeft. Wij hebben trek in lekker eten.

Wij zijn de enige gasten. We kiezen een plek in de leegte, zoveel mogelijk beschut, met naast ons een witte wand en aan de zijden voor en achter ons een gordijn van zwarte bamboe kralen. Linda vraagt om een lichte wijn, met niet teveel alcohol. De serveerster kijkt haar hooghartig aan. “Alle wijnen hebben hetzelfde alcoholpercentage”, zegt ze. “Daarin bestaan geen verschillen. Alleen de smaak kan als licht ervaren worden, maar dat is niet meer dan een subjectieve beleving”. Dat is niet waar. Wijn kan variëren van 11% tot 17%. Zelfs lichter en zwaarder bestaat. Maar wij zwijgen beleefd, zoals de etiquette voorschrijft. We kiezen de huiswijn, speciaal voor ons geselecteerd.

De eerste gang bestaat uit een kom vol dikke grijze saus, koud geserveerd. Daarin verscholen liggen noedels, bospaddestoelen, tofu en taaie rolletjes groente in filodeeg van rijstmeel. Alles smaakt hetzelfde. Alles smaakt grijs. Ik roer met mijn stokjes door de dikke grauwe brij en blijf haken aan een groen nylon netje met daarin een vetbol vol zaden. Wij eten niet verder. Wij zeggen dat wij vertrekken. De serveerster, koud en zwijgend, ruimt de tafel af. Wij wachten op de rekening. Het wachten duurt lang. Het is stil. Het personeel heeft de zaal verlaten. Dan schuift de wand naast ons open. Een Aziatische man in een zwart pak staat in de opening. Hij gaat achter mijn stoel staan, de handen gevouwen voor zich. Een tweede man gaat achter de stoel van Linda staan. Zijn gezicht staat strak. De wand sluit zich geruisloos.

Doodstil zijn wij daar, met ons vieren in de vierkante leegte. Er zullen nieuwe gerechten op tafel verschijnen. Dit restaurant laat niet met zich spotten.