De geschiedenis van Zeng He

Aan de uiterste grenzen van het rijk, in Kunyang, een van de laatste vestigingen van de Yan-dynastie, werd in 4069[1] Ma Sanbao geboren, de zoon van een gelovige moslim die de hadj volbracht had. Toen Ma Sanbao tien jaar was, werd zijn dorp veroverd door de keizerlijke troepen van Jianwen. Zijn ouders vonden de dood en Ma Sanbao werd naar de provinciehoofdstad gezonden voor een militaire opleiding. Als jong officier onderscheidde hij zich door zijn kracht, zijn moed en zijn inzicht in de strijd. Hij nam dienst in het leger van de prins van Yan, die zijn neef Jianwen van de troon stootte en vanaf die dag onder de naam Yongle als alleenheerser het rijk bestuurde. In de strijd bij het dorp Zhengcunba voerde Ma Sanbao de troepen van de prins naar de overwinning. Uit dank doopte Yongle hem ‘Zheng’. De jonge Zheng He, nauwelijks dertig jaren oud, werd een vertrouweling van de keizer, een van diens naaste adviseurs in de allerhoogste staatszaken.

In die hoedanigheid kreeg hij het bevel over een vloot van 72 jonken en meer dan 150 kleinere schepen voor een expeditie naar de westelijke zeeën. De tocht was uitermate succesvol. Zheng He keerde terug met rijke buit, handelscontacten en vele hoogwaardigheidsbekleders die de keizer eer kwamen bewijzen. Ook de tweede en derde expeditie brachten hem roem. Hij wist koning Alagonakkaraa van Selan mee te voeren, die een geweldig losprijs opbracht en legde waardevolle contacten langs de kusten van de Perzische golf en Sumatra. Veel vorstenhoven werden schatplichtig aan de keizer.  Tijdens zijn vierde reis bereikte Zheng He de Arabische wereld en de oostkust van Afrika. In 4113 keerde hij terug met afgevaardigden uit meer dan dertig rijken die alle hun eerbetoon aan keizer Yongle kwamen betuigen in de pas voltooide Verboden Stad.

Na een laatste reis, waarbij de Chinese vloot de gehele Afrikaanse oostkust volgde, vestigde Zheng He zich in een klein paleis in Nangking en rustte daar vijf jaren. Toen kwam een keizerlijke boodschapper hem het bevel overhandigen.

 In de vijf jaren die hij voor zichzelf genomen had, was Zheng He, meer dan vijftig jaren oud, verliefd geworden op een jonge vrouw van amper twintig jaren[2]. Hij had haar bij zich in zijn paleis genomen en zij woonden, hoewel ongehuwd, als man en vrouw samen. Zijn eerste vrouw had hij verstoten, om alleen met zijn nieuwe bruid te zijn. Hij hield van haar lange zwarte haren, haar gele ogen, de fijne boog van haar wenkbrauwen, haar slanke hals. Hij hield van haar lach, haar slimheid, haar jeugd. Hij hield van haar smalle enkels en van haar borsten. En zij hield van zijn macht, van zijn aanzien, van zijn kracht. Zij hield van zijn hulpeloosheid als zij hem in haar armen hield. Elke dag en elke nacht van deze vijf gelukkige jaren brachten zij gezamenlijk door. En nu was de boodschapper van de keizer gekomen met de opdracht opnieuw uit te varen, met ditmaal als doel de gehele wereld in kaart te brengen. Zheng He wenste niet te vertrekken voor deze reis. Hij kon niet leven zonder zijn jonge vrouw. Maar hij kende de reikwijdte van een keizerlijk bevel.

 De vloot bestond uit 102 oorlogsjonken en 232 kleinere schepen. Het plan was tezamen uit te varen, waarna de vloot zich in vier eskaders zou splitsen die elk een deel van de opdracht zouden uitvoeren. In 4129 verliet de armada de havens.

De admiraalsjonk was 120 meter lang, vier dekken hoog en gecompartimenteerd. Het schip telde negen masten. Zheng He’s verblijven waren ruim en luxe. Het bed was groot, geschikt om te rusten en geschikt voor de liefde, want hij nam zijn jonge vrouw mee op deze reis. Met hen gingen meer dan dertigduizend mannen scheep, zeelieden en soldaten.

Direct op de Gele Zee splitste de armada zich in tweeën. Een deel voer oostwaarts, de grote oceaan op. Het andere deel zette koers naar het zuidwesten, naar Indië. Daar splitste dit deel van de vloot zich opnieuw. De helft voer zuidwaarts, naar het huidige Australië. De andere helft rondde de Afrikaanse kaap en richtte zich, de Afrikaanse westkust volgend, naar het noorden. Twee eskaders wendden de steven naar het westen. [3] De overige schepen, onder direct bevel van Zheng He, zeilden voorbij Mauretanië, richting Europa. Daar koos Zheng voor de smalle doorgang tussen Afrika en Europa. Hij voer de Middellandse Zee op. Hij had gehoord van de rijkdommen van deze gebieden. De handelsbelangen zouden zich van onschatbare waarde tonen. Hij verkoos dit zekere succes boven de onzekere roem van een onzeker avontuur op onbekende zeeën.  Zo dan ook koos hij zijn noodlot.

Voorbij Kreta waaierde het restant van de vloot in alle richtingen uiteen, langs de Griekse, Turkse en Arabische kusten en zelfs tot in de Zwarte Zee. Een smaldeel bleef achter, rond de admiraalsjonk, op 70 mijl uit de kust van het Ottomaanse Syrië. Daar werden de schepen aangevallen door harpijen.

De Chinese soldaten wisten te strijden tegen draken, maar  de tactieken en strategieën die zij voor die gevechten ontwikkeld hadden, sorteerden geen effect in het gevecht tegen de harpijen. Het bleek onmogelijk te strijden tegen wezens uit een mythologie die niet de hunne was. De hemel verduisterend keerden de roofvogels in steeds grotere aantallen terug. De boogschutters en zwaardvechters wisten niet één enkele van de vreselijke wezens te doden. De pijlen ketsten af op het pantser van hun verenkleed. De zwaarden braken. De wezens trokken het vlees van de lichamen der strijders en roofden al het voedsel van de schepen, diep doordringend in de benedendekse ruimten. De stank die zij achterlieten was onverdraaglijk. Elk uur van elke dag kwamen de wrede wezens terug om zich met de restanten van hun plaag te voeden. De onfortuinlijke matrozen en soldaten hadden geen verweer tegen deze door goddelijke krachten gesteunde beproeving. Zengh He, hun leider, schuilde als een oude man in zijn hut, samen met zijn jonge bruid, voor wier leven hij vreesde, meer dan voor de ondergang van zijn vloot.

De matroos Ao Jinghui, een goed zeeman, had een droom die elke nacht terugkwam. In deze droom verschenen drie gevleugelde vrouwen met vogelkoppen. Zij hoonden Zeng He. De plaag kon niet afgewend worden met menselijke wapenen. Alleen het allerhoogste offer kon dat bewerkstelligen. Nadat zij weken in windstilte gelegen hadden, geplaagd en geplunderd door de zwarte rafelige roofvogels, vertelde Jinghui zijn droom aan een van de soldaten. Het verhaal ging rond en bereikte de commandanten. Zeng He alleen was geen partij voor de menigte strijders. De soldaten sleepten zijn jonge vrouw uit de admiraalshut en smeten haar naakt op het dek, waar de harpijen haar het levend vlees van haar gebeente scheurden.

 Zhengs eskader keerde terug naar de keizer – zonder buit, zonder eerbetoon van eerbiedwaardige gezanten, zonder verdragen. Van de overige schepen gingen de meeste ten onder, verspreid over de wereldbol, elk aan zijn eigen ramp.

Toen de uitgedunde resten van de vloot terugkeerden, was China veranderd. Yongle, de eerzuchtige keizer met het feilloze gevoel voor de internationale politiek en handel, was overleden en opgevolgd door Hongxi, een behoedzaam, voorzichtig en introvert man. Zengh He’s verslag van de mislukte missie en het grote verlies dat deze mislukking met zich meebracht leidden tot Hongxi’s beslissing alle zeevarende expedities onmiddellijk stop te zetten. De maritieme legermacht werd ontbonden. De overzeese handel werd verboden. Ieder die een schip met meer dan één mast bouwde, riskeerde de doodstraf. Aan de magistraten in de kustprovincies werd bevolen alle oceaanwaardige schepen te slopen en de bezitters ervan te arresteren. Het werd een misdaad uit te varen op een meermastig schip. Aan de kust werd een strook land van meer dan duizend kilometer lengte, tot 50 kilometer landinwaarts, in brand gestoken, om alle contact met het buitenland te voorkomen. Vissers werden gedwongen boeren.

Een deel van de schepen werd onderhands verkocht en diende de zeeroverij in de Gele Zee. Zenghs admiraalsjonk werd het kapiteinsschip van de weduwe Tsjing, de meedogenloze pirate wier haren meer glans hadden dan haar zwarte ogen. Het restant van de schepen lag weg te rotten in de havens.

Zeng He vernietigde al zijn kaarten, logboeken en mappen met gevolgde zeeroutes. Geen van zijn kostbare aantekeningen is bewaard gebleven. Hij heeft na die fatale expeditie nooit meer een voet op het dek van een schip gezet. Hij sleet zijn laatste jaren in Nanking, als havencommandant van een dode haven zonder schepen, waar hij in 4142, dertien eenzame jaren na zijn terugkeer, stierf aan de gevolgen van een bloedvergiftiging, opgelopen nadat hij zijn hoofd had gestoten aan een openstaand venster dat uitzicht bood over de zee.


[1] De jaartelling in de Chinese geschiedenis is niet altijd even helder. Er zijn vele rijken en keizers geweest, die doorgaans hun eigen jaartelling hanteerden, vaak beginnend met het jaar dat de vorst aan de macht kwam. De hier gehanteerde jaartallen zijn gestandaardiseerd volgens de 18e eeuwse Chinese bronnen die deze verhaalstof staven. Ter indicatie: deze gebeurtenissen hebben zich volgens onze moderne westerse jaartelling afgespeeld in het eerste kwart van de 15ee eeuw (1400-1425).

[2] Geen enkele tot dusver bekende bron vermeldt de naam van Zhengs jonge bruid. Zij wordt altijd aangeduid met een zakelijke omschrijving als “de jonge vrouw van…”, dan wel in min of meer poëtische bewoordingen omschreven, als “de blauwzwartharige lieveling met de barnstenen ogen”. Naar haar naam en afkomst kunnen wij slechts gissen.

 [3] Volgens een aantal bronnen zouden deze schepen in Amerika geland zijn. Twee van de schepen zouden teruggekeerd zijn en verslagen en beschrijvingen meegevoerd hebben die dit resultaat aantonen. Veel historici trekken dit bewijsmateriaal in twijfel. 

Los werk

Een lange pauze – twee maanden geen bericht geplaatst. Ik had veel overwerk, onder andere de examencorrecties, en daardoor nauwelijks tijd iets aan mijn blog te doen. Maar hoewel de drukte van de afronding van het schooljaar nog niet voorbij is, heb ik toch weer wat kunnen tekenen. Los werk, gewoon om andere stijlen uit te proberen (Herriman en Hergé in dit geval).